Recensie: Waar west en oost samenkomen. De wetenschapsfilosfie van Vladimir Solovjov


Boek: Vladimir Solovjov, Krisis van de westerse wijsbegeerte, tegen de positivisten, vertaling en redactie door Ton Jansen (Paladion, 2006), 544 pagina’s, € 24,90.


Dit is het vierde artikel in een reeks artikelen over Russische geschiedenis en communisme.


Auteur: Mark Verweij


De naam Vladimir Solovjov zal veel filosofen, laat staan historici waaronder ik mijzelf schaar, onbekend zijn. Toch heeft Solovjov met zijn filosofie een grote impact gehad op de filosofische debatten in het Rusland van de negentiende eeuw. Zijn ideeën over de Wijsheid, in de vorm van ‘Sophia’, vormen daarnaast ook een belangrijk fundament van de Russisch-Orthodoxe theologie van de twintigste eeuw. Een terechte vraag is vervolgens waarin de relevantie ligt van deze constateringen. In principe is dit tweeledig. In eerste instantie is Solojovs werk interessant omdat het een geheel andere invalshoek kiest dan de gangbare positivistische filosofie van zijn tijdgenoten. In plaats van een materialistische benadering van de werkelijkheid, kiest Solovjov voor een metafysische benadering. Hierdoor creëert hij ruimte om vragen te stellen over God, de zin van het bestaan en een leven na de dood. Zaken die buiten de directe waarneming liggen.


De werken van Dostojevski, Tolstoj en Gogol worden door veel westerse Europeanen gelezen, maar de filosofische werken van hun tijdgenoten zijn veel minder bekend.

Zijn werk is in tweede instantie interessant, omdat het een inkijk geeft in de filosofische debatten en conflicten van het negentiende-eeuwse Rusland. In tegenstelling tot de Russische literatuur, is de Russische filosofie veel minder bekend. De werken van Dostojevski, Tolstoj en Gogol worden door veel westerse Europeanen gelezen, maar de filosofische werken van hun tijdgenoten zijn veel minder bekend. Wat de Russische filosofie uniek maakt is de min of meer geïsoleerde mate waarin de filosofie zich ontwikkeld heeft. Hoewel er veel connecties zijn geweest tussen Rusland en West-Europa op filosofisch gebied, denk hierbij aan de ‘Verlichte’ keizerin Catharina de Groot, heeft Rusland altijd op een afstand gestaan tot het ‘Westen’. Daarbij valt op dat filosofen als Solovjov goed thuis waren in de Duitse en Franse filosofie van Kant en Comte. Hoewel ze dus in dialoog waren met deze filosofische tradities, ontwikkelden de Russen eigen filosofische systemen als ‘tegenhangers’ van het ‘Westen’. Deze tendens is ook goed te zien in de Russische literatuur, zoals in de werken van Dostojevski en Tolstoj. Denk bijvoorbeeld aan de kwestie van de ´slavofielen´.


Eén van de eerste werken van Solovjov is diens ‘Krisis van de westerse wijsbegeerte. Tegen de positivisten’, het equivalent van een huidige masterthesis. Dit werk is vertaald, uitvoerig ingeleid en geannoteerd door Ton Jansen in diens uitgave van Solovjovs ‘Krisis van de westerse wijsbegeerte’. Allereerst zal in deze recensie de aandacht worden gevestigd op de daadwerkelijke inhoud van het boek, de filosofie van Vladimir Solovjov waarna de editie van Jansen nader bekeken zal worden.


Solovjov stelt voor om de ‘volheid van inhoud van het geestelijke aanschouwen van het Oosten met de logische volmaaktheid van de westerse vorm te verenigen.’

In zijn werk problematiseert Solovojov de toenmalige filosofische tijdgeest in Rusland, het positivisme. Hij stelt aan het begin van zijn werk: ‘Aan dit boek ligt de opvatting ten grondslag, dat filosofie in de zin van abstracte, puur theoretische kennis aan het einde van haar ontwikkeling is gekomen en onherroepelijk tot het verleden behoort.’ Naar zijn mening is de Westerse filosofie niet meer in staat een goed verstaan te geven van de werkelijkheid. Alleen een filosofie waarin ruimte is voor het goddelijke en geestelijke kan hierin volstaan. Solovjov stelt voor om de ‘volheid van inhoud van het geestelijke aanschouwen van het Oosten met de logische volmaaktheid van de westerse vorm te verenigen.’ Hierin komt sterk het oosterse karakter van Solovjovs filosofie naar voren: het westen heeft het oosten nodig en vice versa om tot een correct en volledig verstaan te komen van mens en wereld. Solovjov sluit daarmee het positivistische karakter van de westerse filosofie in Rusland niet uit, maar benadrukt dat er ruimte moet zijn voor de metafysica in de vorm van het geestelijke en goddelijke (de eigen ervaring).


Daarmee wordt ook de aard van het werk duidelijk. Solovjov creëert niet zozeer een eigen systematische filosofie, maar bespreekt in eerste instantie de westerse traditie en problematiseert deze waar nodig. Dit doet hij door in de eerste twee hoofdstukken een overzicht te geven van de westerse filosofie. In deze hoofdstukken komen met name de filosofie van Eduard von Hartmann en diens Philosophie des Unbewußten en de filosofieën Kant, Fichte, Schelling, Hegel en Schopenhauer aan bod. In Solovjov geeft een kritische beschouwing van met name de filosofieën van Schopenhauer en Von Hartmann en stelt dat de tekortkomingen van hun filosofieën niet zozeer liggen in de eigen invulling, maar in de algemene gebreken van de westerse filosofie (zoals hier al eerder naar voren is gekomen). In de laatste twee hoofdstukken reflecteert Solovjov op de schetsen die hij in zijn vorige hoofdstukken gegeven heeft om vervolgens te beargumenteren waardoor de westerse filosofie in zijn ogen is vast gelopen.


Ondanks Solovjovs heldere schrijfstijl en de zeer goede vertaling van Jansen, blijft het lastig om Solovjov in zijn denken te volgen.

Ondanks Solovjovs heldere schrijfstijl en de zeer goede vertaling van Jansen, blijft het lastig om Solovjov in zijn denken te volgen. Het vereist een uitgebreide voorkennis van de belangrijkste, westerse filosofen om te kunnen begrijpen waar Solovojov naartoe manoeuvreert. Het is daarmee geen eenvoudig werk, hoewel het ‘slechts’ één van zijn eerste, uitgebreidere filosofische werken is. Na dit boek heeft Solovojov nog veel werken geschreven waarin hij zich richt op filosofische theorie, maar veelal ook op religie. Met name zijn ideeën over de Wijsheid hebben hun stempel gedrukt op latere filosofen en theologen, zoals Sergej Bulgakov en Pavel Florensky en Nikolai Berdyaejev.


De lezer weet zich gelukkig voorzien van een uitgebreid notenapparaat waarin Ton Jansen veel begrippen op begrijpelijke wijze uitlegt. Daarnaast geeft Jansen aan het begin van elk hoofdstuk een uitgebreide samenvatting waarin hij de kernpunten van het hoofdstuk benadrukt en uitlegt hoe Solovjov te werk gaat.


Het zou wellicht verstandig zijn om meer aandacht te leggen op de intellectuele traditie en ontwikkelingen van Solovjovs tijd.

Jansen biedt de lezer gelukkig een uitgebreide inleiding waarin hij het leven van Solovjov behandelt, maar ook de totstandkoming van zijn ‘Krisis van de westerse wijsbegeerte’. De inleiding is echter dusdanig uitgebreid dat de lezer tussen alle interessante ankedotes, feiten en citaten de context waarin het werk ontstaan is, uit het oog zou kunnen verliezen. Het zou wellicht verstandig zijn om meer aandacht te leggen op de intellectuele traditie en ontwikkelingen van Solovjovs tijd. Hierdoor krijgt het werk een historisch kader waarin de lezer, hoewel hij niet alle filosofische gedachten begrijpt, toch de significantie van zijn werk kan inzien. Toch zou dit misschien voorbij gaan aan het feit dat het hier een filosofisch werk betreft en niet een historische, intellectuele geschiedenis.


Concluderend: Jansen is erin geslaagd een fraaie editie uit te geven, met een goed geschreven samenvattingen, noten en inleiding. De schrijfstijl is prettig en Jansen blijk uitstekend op de hoogte te zijn van Solovjovs filosofie. Zijn vertaling van het werk is prettig en getuigt van een goede beheersing van zowel het Russisch als ook het Nederlands. De leesbaarheid blijft overeind terwijl de gedachten van Solovjov goed naar voren komen. Het boek is een aanrader voor degene die graag een kritische beschouwing wil lezen over de westerse filosofie of meer te weten wil komen over één van Ruslands meest inspirerende filosofen.

0 reacties